Inhoudsopgave
Kun je trombose krijgen met bloedverdunners?
Het korte antwoord: ja, dat kan. “Als iemand bloedverdunners gebruikt voor de behandeling van trombose, longembolie of boezemfibrilleren, en diegene neemt de medicatie zorgvuldig alle dagen in, is de kans om trombose of longembolie te krijgen laag”, aldus dr. Gerdes.
Wat doet een bloed verdunner?
Wat zijn bloedverdunners (cumarines)? Bloedverdunners worden ook wel stollingsremmers of antistolling genoemd. Ze zorgen dat uw bloed minder snel stolt. Als u bloedverdunners gebruikt, is de kans kleiner dat er een bloedprop ontstaat. Dat maakt de kans op een herseninfarct, trombosebeen of longembolie kleiner.
Waarom neem je bloedverdunners?
Artsen schrijven het voor na een hartinfarct en bij niet-stabiele angina pectoris (hartkramp). Verder na een beroerte (herseninfarct) en om de kans op trombose te verminderen, bijvoorbeeld bij de hartritmestoornis atriumfibrilleren en bij verminderde bloeddoorstroming in de benen.
Wanneer stop je de bloedverdunner?
Meestal stop je de bloedverdunner enkele dagen voor de ingreep en wordt de overbrug je de periode met spuitjes. Ze maken de exacte afspraken rekening houdend met het soort ingreep (kleine of grote operatie) en het bloedingsrisico.
Hoe voorkom je een bloedklonter?
Mogelijk loop je dan risico om een bloedklonter te ontwikkelen, wat levensbedreigend kan zijn. Bloedverdunners of antistollingsmiddelen zorgen ervoor dat er een evenwicht ontstaat tussen de stolling en de ontstolling van het bloed.
Welke factoren verhogen het risico op bloedklonters?
Verschillende factoren verhogen het risico op bloedklonters in de beenaders: 1 hogere leeftijd; 2 erfelijkheid; 3 mannelijk geslacht; 4 hoge bloeddruk; 5 diabetes; 6 overgewicht; 7 gebruik van anticonceptiepil; 8 recente heelkundige ingreep; 9 ongezonde eet- en leefgewoonten; 10 roken.
Is bloedverdunnende medicijnen toegediend?
Bloedverdunnende medicijnen of antistollingsmiddelen worden toegediend wanneer een te snelle bloedstolling voor problemen zorgt, zoals bijvoorbeeld bij de voorkoming of behandeling van trombose. Dit kan door middel van een injectie van een antistollingsmiddel of via de orale inname van een pil.