Inhoudsopgave
- 1 Hoe maak je een breuk groter?
- 2 Hoe kan je weten welke breuk groter is?
- 3 Kan een breuk negatief zijn?
- 4 Wat is teller noemer?
- 5 Hoe zet je breuken op volgorde van klein naar groot?
- 6 Hoe weet je welke breuk het kleinst is?
- 7 Hoe moet je Ongelijknamige breuken vermenigvuldigen?
- 8 Hoe bereken je negatieve breuken?
Hoe maak je een breuk groter?
De noemer van een breuk groter maken De waarde van een breuk verandert niet als je de teller en de noemer met eenzelfde getal vermenigvuldigt. Je mag bijvoorbeeld de teller en de noemer van de breuk 1/4 allebei vermenigvuldigen met drie. De breuk wordt dan 3/12.
Hoe kan je weten welke breuk groter is?
Als je wilt weten welke breuk groter is, 2/8 of 5/16, dan kun je het beste de noemers gelijk maken. Je kiest de grootste noemer, 16, als nieuwe noemer. 2/8 schrijf je als 4/16 door de teller en de noemer allebei te vermenigvuldigen met twee.
Hoe tel je Ongelijknamige breuken bij elkaar op?
Bij het optellen van ongelijknamige breuken moet je de noemers eerst gelijk maken. Je probeert de noemers zo klein mogelijk te maken.
Kan een breuk negatief zijn?
Bij het vereenvoudigen van een negatieve breuk laat je het minteken niet in de teller of noemer staan maar zet je het minteken voor de breuk of laat je het weg. Als er zowel in de teller als in de noemer een minteken staat, dan kan je het minteken weglaten.
Wat is teller noemer?
De teller is het getal dat boven de deelstreep staat. De noemer geeft het aantal delen aan waarin de hele is verdeeld. De noemer is het getal onder de deelstreep.
Hoe groter de teller hoe groter de breuk?
Hoe kleiner de noemer, hoe groter de breuk. Hoe groter de teller, hoe groter de breuk. Hoe kleiner de teller, hoe kleiner de breuk. Hier geldt dezelfde regel als voor de stambreuken.
Hoe zet je breuken op volgorde van klein naar groot?
Vermenigvuldig elke noemer met elkaar. Bijvoorbeeld, als je 2/3, 5/6 en 1/3 vergelijkt, vermenigvuldig deze noemers dan met elkaar: 3 x 6 = 18….Zet elke breuk weer in de oorspronkelijke vorm.
- 6/18 = (6 ÷ 6)/(18 ÷ 6) = 1/3.
- 12/18 = (12 ÷ 6)/(18 ÷ 6) = 2/3.
- 15/18 = (15 ÷ 3)/(18 ÷ 3) = 5/6.
- Het antwoord is “1/3, 2/3, 5/6”
Hoe weet je welke breuk het kleinst is?
Maar het belangrijkste om te weten is dat als de noemer groter is, je de hele in meer stukjes verdeeld dus elk stukje is dan kleiner. Als je de noemer groter maakt wordt de breuk kleiner. Als je de teller groter maakt dan is de breuk ook groter. Als je de teller groter maakt dan is de breuk ook groter.
Hoe moet je Ongelijknamige breuken delen?
Methode
- Stap 1. Delen door een breuk is vermenigvuldigen met het omgekeerde.
- Stap 2. Vermenigvuldig de tellers en noemers met elkaar.
- Stap 3. Vereenvoudig indien mogelijk.
Hoe moet je Ongelijknamige breuken vermenigvuldigen?
Je kunt ongelijknamige breuken met elkaar vermenigvuldigen door:
- de teller x de teller (onthoud: de teller is het cijfer boven de breukstreep) te doen en.
- de noemer x de noemer (onthoud: de noemer is het cijfer onder de breukstreep) te doen.
Hoe bereken je negatieve breuken?
Vuistregels
- Haal de helen binnen de breuken.
- Maak de breuken gelijknamig.
- De tellers trek je van elkaar af of tel je bij elkaar op, de noemers moet je gelijk houden.
- Vereenvoudig de breuken zo ver mogelijk en haal de helen eruit.